Armoede in Nederland, wat brengt 2010-2011 ons?

Ondanks de welvaart hebben we een groot probleem in Nederland met ‘de armen’.

Er waren in 2009 meer armen in Nederland. De cijfers van 2010 zijn er nog niet maar ik verwacht eigenlijk niet veel goeds….

Volgens het niet-veel-maar-toereikendcriterium (SCP) leefde in 2009 6,2% van de
Nederlanders in een huishouden met een besteedbaar inkomen onder de grens.
Dat waren 971.000 personen in 453.000 huishoudens. In 2008 verkeerde 5,5%
van de personen onder deze grens.
Volgens de lage-inkomensgrens (CBS) liep in 2009 7,7% van de bijna 6,9 miljoen
huishoudens risico op armoede. Dit komt overeen met 531.000 huishoudens,
waarin 1.090.000 personen verblijven. In 2009 lag het aandeel huishoudens onder
de lage-inkomensgrens 0,2 procentpunt hoger dan een jaar eerder.
Ontwikkeling langdurige armoede geeft uiteenlopend beeld
In 2009 leefden 164.000 huishoudens al vier jaar of langer onder de lageinkomensgrens.
Dat komt overeen met 2,6% van alle huishoudens; dat was net
zoveel als in 2008. Op basis van het niet-veel-maar-toereikendcriterium nam de
langdurige armoede van 2008 op 2009 wel toe. Het aandeel personen dat
tenminste drie jaar onder deze grens verkeerde steeg van 2,0% tot 2,2%.
Groeiend aandeel arme kinderen
Het aandeel kinderen in armoede daalde lange tijd, maar is in 2009 voor het eerst
weer opgelopen, in lijn met de algemene trend. Dat jaar leefde 9,1% van de 0-17
jarigen in een huishouden met een inkomen onder het niet-veel-maar-toereikendcriterium
(311.000 kinderen). In 2008 was dat 8,1%. Ondanks de toename is de
armoede onder kinderen minder hoog dan in het jaar 2000 (10,6%). Ook volgens
de lage-inkomensgrens nam de armoede onder kinderen in 2009 toe.
Risicogroepen
Eenoudergezinnen met alleen minderjarige kinderen, bijstandsontvangers en
alleenstaanden jonger dan 65 jaar hebben een grote kans op armoede. In 2009
ging het volgens de lage-inkomensgrens om 27% van de huishoudens met één
ouder, 65% van de bijstandshuishoudens en 17% van de alleenstaanden jonger
dan 65. Ook mensen afkomstig uit Oost-Europa behoren tot de risicogroepen.
Volgens het niet-veel-maar-toereikendcriterium is 22% van de personen uit de
voormalige Sowjetunie arm, 15% van de Polen en 20% van de allochtonen uit de
overige nieuwe EU-lidstaten. Hun armoederisico is daarmee vergelijkbaar met dat
van mensen van Turkse, Marokkaanse of overig niet-westerse herkomst (18-
22%).
Meer werkende armen
De kans dat werkenden arm zijn bleef de afgelopen tien jaar vrij stabiel: ongeveer
3% bij de werknemers in loondienst, 12% bij de zelfstandigen (niet-veel-maartoereikendcriterium
). Absoluut bezien kwamen er toch meer werkende armen,
doordat de bevolking en de arbeidsdeelname groeiden. Het aantal arme mensen in
een huishouden met inkomsten uit arbeid als voornaamste bron liep in de periode
2001-2009 op van 434.000 naar 576.000 personen. Ook maken ‘werkende armen’
een groeiend deel uit van de totale arme groep; hun aandeel nam het afgelopen
decennium toe van 50% naar 59%. Dat komt vooral door het grotere aantal
zelfstandigen.
Meer betalingsachterstanden en financiële problemen bij arme
huishoudens
Huishoudens met een inkomen onder de lage-inkomensgrens rapporteerden vaker
betalingsachterstanden dan huishoudens met een hoger inkomen (2009: 17%
tegen 4%). Ook gaven ze vaak aan zich bepaalde uitgaven niet te kunnen
veroorloven. Zo rapporteerde ruim 11% onvoldoende geld te hebben voor een
warme maaltijd met vlees, vis of kip om de dag. Bijna 40% had niet genoeg geld
om regelmatig nieuwe kleren te kopen. Ook gaf 37% aan (zeer) moeilijk te
kunnen rondkomen.

Bron: Sociaal en Cultureel Planbureau, 15 dec 2010

Deze website gebruikt uitsluitend eigen functionele cookies om bezoeker en surfgedrag op onze webpaginas te registreren. Als u ervoor kiest dat we geen cookies gebruiken, kunnen mogelijk niet alle functies op onze website gebruikt worden. Uw keuze word middels een cookie in uw browser voor de tijd van een jaar  geregistreert. OK, functionele cookies , Nee geen functionele cookies

732